In memoriam Willem van ‘t Spijker (1926-2021). Een man die wel en niet dezelfde is gebleven

Het groeien van innerlijk verbondenheid

Met ontroering vernam ik vorige week vrijdag 23 juli het overlijden van mijn oudpromotor prof. dr. Willem van ’t Spijker. Ik heb hem nooit bij de voornaam aangesproken en hij sprak mij altijd aan als ds. De Vries. Niet dat wij voornamen vermeden om afstand te creëren, want wij voelden ons juist zeer aan elkaar verbonden, maar beiden voelden we daar – al hebben we dat nooit met zoveel woorden uitgesproken – het prettigst bij. Dat gold in ieder geval voor mij. Ik had behoefte deze zeer geleerde, maar toch ook zo vriendelijke, eenvoudige en – in de goede zin van het woord – eenvoudige man als professor aan te spreken.

Omdat na het emeritaat van prof. dr. C. Graafland de leerstoel gereformeerde theologie aan de Universiteit van Utrecht niet direct werd vervuld en ik met promotiearbeid wilde beginnen, zocht ik contact met Van ’t Spijker. Wat mij aantrok was dat hij bekend stond om zijn grote geleerdheid. Vooral van de negentiende eeuw wist hij veel en als het ging om de Reformatie was hij echt een geleerde van wereldformaat. Nu wilde ik op de zeventiende-eeuwse John Owen promoveren. Echter, ook in die periode was Van ’t Spijker goed thuis.

Meer dan ik van tevoren had gedacht groeide in de ontmoetingen een innerlijke band. Ik zeg niet dat wij  in alles de accenten op dezelfde wijze legden, maar de innerlijke band overheerste en dat was wederzijds. Van ‘t Spijker had niet alleen een echt ongekende kennis van de Reformatoren, maar wist zich ook innerlijk door hun theologie geraakt.

Ik heb bepaald niet alle artikelen die uit de pen van Van ’t Spijker zijn gevloeid gelezen, maar wel de meeste van zijn boeken. Al voordat ik hem persoonlijk leerde kennen, las ik vooral zijn boek Luther belofte en ervaring met veel stichting. Zonder iets af te doen van al het andere dat hij schreef, houdt dit boekje, samen met zijn meditaties over de Psalmen, voor mij een ereplaats onder wat hij schreef. Met Luther wist Van ’t Spijker dat de grond van de zaligheid enkel en alleen in Christus is, maar ook dat een waar geloof een beleefd geloof is.

De liefde niet alleen tot de theologie maar ook tot de persoon van Luther was een van de dingen die mij in Van ’t Spijker aantrok. Ik voeg er wel direct aan toe dat ik als het gaat om de kennis van Luthers geschriften niet in zijn schaduw kon staan. Wel kon ik heel goed plaatsen dat hij nadat hij zijn bibliotheek had opgeruimd toch weer de complete uitgave van Luthers werken aanschafte. Het laat wel zien hoe graag hij Luther las.

Luther kon gekruide uitspraken doen. In een gesprek dat wij met elkaar hadden met mij merkte Van ’t Spijker eens op: ‘Er zijn uitspraken bij die waarvan je er wel direct bij moet zeggen dat zij van Luther zijn als je ze op de kansel aanhaalt. Want doe je dat niet dan heb je in de consistorie na afloop van de preek gegarandeerd een probleem.’ Bij zo’n opmerking twinkelden dan zijn ogen. De twinkeling hoorde helemaal bij deze vriendelijk maar ook zo humoristische man.

*

Zalig in de weg van het genadeverbond

Van ’t Spijker hield van studeren, maar wist ook van het betrekkelijke ervan. Hij merkte op: ‘Studeren is mooi, maar dat kan je ook van de kern afvoeren. Theologisch de dingen weten is iets anders dan ze weten in het geloof.’ Hij wist dat je niet als theoloog of professor, maar alleen als een zondaar gereinigd door Christus’ bloed, Gods heerlijkheid kunt binnen gaan. Daarom heb ik in de kop van dit ‘in memoriam’ ook welbewust de aanduidingen doctor en professor weggelaten.

Van ’t Spijker was een irenisch man. Dat zat helemaal in zijn karakter. Het gevaar kan zijn dat je soms te synthetisch bent. Of hij altijd aan dit gevaar is ontkomen weet ik niet. Hij was in ieder geval geen partijman en hij was er daarom niet op uit om een boegbeeld te zijn. De verdeeldheid van christenen die allen de gereformeerde belijdenis onderschreven deed hem verdriet. Hij kon zeggen dat er maar één kleur is en dat is van het bloed van Christus. Daarop zeg ik van harte amen. Al hield Van ’t Spijker niet van enghartigheid, er waren voor hem wel grenzen. Het ging hem om het authentieke geestelijk leven, waarbij een mens een bedelaar wordt en blijft.

Wat mij ook aan hem verbond, was zijn afkeer van theologische haarkloverij. Op de vraag of er twee of drie verbonden zijn, antwoordde hij in een interview in 2015 in het RD: ‘Ik had er toen niets mee en ik heb er nog steeds niets mee. Er is veel strijd over gevoerd, maar dit vraagstuk is voor mij nooit een probleem geweest. In de kerkgeschiedenis is het ook nooit een thema geweest. Pas in de twintigste eeuw kwam het aan de orde, wilden. sommigen er orde mee scheppen in de kerkelijke verwarring. Maar of je nu van twee of van drie verbonden houdt, we moeten allemaal in de weg van het genadeverbond zalig worden.’

*

Wel en niet dezelfde gebleven

Ik weet dat Van ‘t Spijker vele jaren meer verwantschap voelde met vrijgemaakt gereformeerden en Nederlands gereformeerden dan ikzelf ooit heb gehad, zonder dat ik zou willen ontkennen dat ook daar iets van de kerk des Heeren werd gevonden. Wel merkte ik in de ontmoetingen die ik de laatste jaren met hem had, dat het feit dat er velen weg groeiden van hun gereformeerde wortels – een ontwikkeling die hij ook in de kerken waartoe hijzelf behoorde zag – hem verdriet deed.

In het al geciteerde interview merkte hij op: ‘ Maar als we niet goed gereformeerd blijven, hebben we onze langste tijd gehad. Dat kan echter van elke andere kerk ook gezegd worden, van links tot rechts. Misschien dat dát dan weer een stukje eenheid schept.’ De ontwikkelingen in de kerk en de zaak van kerkelijke eenheid was voor Van ’t Spijker iets wat hem in gebed bracht, omdat hij met Luther wist dat niet wij maar alleen Christus Zelf Zijn kerk in stand houdt.

Menig gereformeerd theoloog zie je, als hij eenmaal een academische positie heeft, vaak heel geleidelijk van kleur veranderen. Men wil een naam krijgen in de brede theologische wereld. Er komt steeds meer openheid naar niet-gereformeerde opvattingen. Voor die verleiding is Van ’t Spijker niet bezweken. Dat viel meerderen op. Ik denk aan mijn goede vriend Hugh M. Cartwright, die al weer een aantal jaren geleden overleed. Hij wist van mij dat Van ’t Spijker de promotor van mijn proefschrift over Owen was. Toen hij nog als hoogleraar kerkgeschiedenis verbonden was aan het Free Church College in Edinburgh, had hij Van ’s Spijker op een congres ontmoet waar kerkhistorici vanuit de gehele wereld aanwezig waren.

Qua kennis behoorde Van ’t Spijker bij de top van de aanwezigen. Dat was ook voor Cartwright zonneklaar. In een gesprek dat ik enige tijd na dit congres met Cartwright viel de naam van Van ’t Spijker. Cartwright zei toen het volgende: ‘Deze man past zich in tegenstelling tot menig niet aan ander en kent niet de behoefte om mee te tellen. Dat maakt dat wat hij zegt en schrijft dubbel indruk maakt.’ Nu, zo heb ik Van ’t Spijker ook leren kennen.

De jaren door bleef hij zichzelf en bleef hij dezelfde. Of nog beter gezegd wist hij zich nog dieper verworteld in Christus, in Gods Woord en in de gereformeerde belijdenis. Hij zei eens tegen mij: ‘Als een dominee bij zijn vijfentwintigste ambtsjubileum zegt dat hij nog precies preekt zoals hij begon, is dat geen best teken.’ Wanneer zoiets wordt gezegd, zal men bedoelen dat men qua grondslag niet veranderd is.

Nu dat kon ook Van ’t Spijker zeggen. Waar anderen ook in eigen kring theologisch en geestelijk van kleur verschoven was dit bij hem niet het geval. Maar waar het hem om ging is dat het de bedoeling is dat je in de weg van omgang met God in de loop van de jaren de HEERE beter leert kennen en zelf meer geestelijk gerijpt wordt en diepgang krijgt. Hij mocht zeggen dat hij daarvan weet had. Hij bleef dezelfde en toch niet dezelfde, omdat hij door genade Christus toebehoorde en ziende op Hem telkens weer dieper door Zijn schoonheid werd getroffen.

Heel mooi en ontroerend zei jij in het interview dat het RD in 2015 met hem had omdat hij was gestopt met preken: ‘Op de kansel sta je alleen, voor Zijn heilig aangezicht. Het is toch onvoorstelbaar dat een mens het Woord van de hoge God mag doorgeven aan anderen. (…) De Heere gebruikt mensen om te preken, maar preken is geen mensenwerk. Het was in elk geval geen zaak van mijzelf. Op de kansel stond ik niet voor eigen rekening.’

*

Hem zien zoals Hij is

Van ‘t Spijker volgde zijn schoonvader op als hoogleraar in Apeldoorn. Toen Hovius in 1978 overleed, gingen Van ’t Spijker en zijn vrouw in diens huis aan de Daendelsweg in Apeldoorn wonen. Daar heb ik hem vele malen bezocht. Voor het eerst tijdens mijn promotiestudie en daarna hield ik de band aan door hem in ieder geval tweemaal per jaar te bezoeken. In deze periode bleef hem het leed niet bespaard. Zijn dochter Tineke, haar man Bert en zijn vrouw overleden.

Vanuit Elspeet gebruikte ik na mijn promotie altijd de fiets om een bezoek aan Van ’t Spijker te brengen. Die gewoonte pakte ik weer op toen wij ons in Nunspeet vestigden. Zo combineerde ik het nuttige van lichamelijke ontspanning met het aangename van een bezoek aan Van ’t Spijker. Want aangenaam waren die bezoeken altijd. Meestal begon te vragen of ik op wetenschappelijk ergens mee bezig. Heel mooi vond hij dat ik de tweede keer promoveerde. Van ’t Spijker bleef ook nog een aantal jaren nadat hij mijn promotor was geweest zelf schrijven. Zijn liefste werk was echter preken, maar in 2015 voelde hij dat hij ook daarmee moest stoppen.

In mijn gesprekken met hem passeerde van alles en nog wat de revue. Personen uit de kerkgeschiedenis met wie zowel hij als ik ons verbonden wisten en van wie wij geleerd hadden. Maar Van ’t Spijker vertelde ook over zijn afkomst en ontmoetingen die hij gehad had in de gemeenten die hij had gediend. Allermeest kwam toch naar voren dat de drie-enige God de God is van volkomen zaligheid.  Er is geen groter geluk en niets geen grotere vreugde dan Hem toe te behoren.  Met veel overtuiging kon Van ’t Spijker in dit verband Psalm 25:6 in de berijming van 1773 aanhalen: ‘Wie heeft lust de HEER’ te vrezen, ’t allerhoogst en eeuwigheid goed? God zal zelf zijn Leidsman wezen, leren  hoe hij wand’len moet.’

Bij het eerste bezoek na mijn promotie vroeg ik aan het einde van het gesprek ook of ik voor hem een gebed mocht doen. Dat stelde hij zeer op prijs en ik heb het daarna altijd gedaan. Meer dan eens zei hij als ik aanstalten maakte om op te stappen: ‘U doet toch nog een gebed voor mij?’ De laatste twee keren dat ik hem bezocht, was niet meer aan de Daendelsweg maar in Villa Astra, dat heel dicht bij zijn voormalige woning lag. Door de coronacrisis is het bezoek  dat ik in het najaar van 2019 bracht  het laatste bezoek geweest. De jaren ervoor merkte  ik dat hij lichamelijk minder werd. De vragen over waar ik wetenschappelijk mee bezig was, bleven ook achterwege.  Het belangrijkste gespreksonderwerp bleef: Gods genade in Christus.

In 2008 merkte Van ’t Spijker in een interview op: ‘We leven te veel uit het verleden of te zeer in het heden, en te weinig vanuit de toekomst. Dan zullen we Hem zien gelijk Hij is, en Hem gelijk wezen.’ Dat sluit aan bij wat John Owen, op wie ik bij Van ’t Spijker promoveerde, op zijn sterfbed zie tegen William Payne aan wie hij de uitgave van zijn werk Meditations and Discourses on the Glory of Christ had toevertrouwd. Deze kwam hem ’s morgens vertellen dat het werk reeds ter perse was gegaan. Owen antwoordde daarop: ‘Ik ben blij het te horen, maar, o broeder Payne, de lang verwachte dag is uiteindelijk gekomen, waarop ik die heerlijkheid op een andere manier zal zien dan ik ooit tevoren heb gedaan, of in staat was te doen in deze wereld.’

Toen Owen stierf, was kerkelijk de situatie in Groot-Brittannië heel onzeker. De zorgen waren groot. In andere omstandigheden en op een andere wijze geldt dat nu voor de kerk van Nederland. Twee dagen vóór zijn dood schreef Owen nog een brief aan Charles Fleetwood. Daarin stond onder andere het volgende: ‘Ik verlaat het schip van de kerk in een storm, maar wanneer de grote Loods aan boord is, zal het verlies van een arme onderroeier van weinig betekenis zijn.’ Deze woorden zouden Van ’t Spijker uit het hart gegrepen zijn.

Ik sluit deze bijdrage af met een aantal coupletten uit het gezang van William Cowper: ‘There is a Fountain filled with blood’ (Er is een Fontein gevuld met bloed). Een gezang gebaseerd op Zach. 13:1

E’er since, by faith, I saw the stream

Thy flowing wounds supply,

Redeeming love has been my theme,

And shall be till I die.

*

But when this lisping, stammering tongue

Lies silent in the grave,

Then, in a nobler, sweeter song,

I’ll sing thy power to save.

*

Lord, I believe Thou hast prepared,

unworthy though I be,

For me a blood bought free reward,

a golden harp for me!

*
’Tis strung and tuned for endless years,

and formed by power divine,

To sound in God the Father’s ears

no other name but Thine.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s